Materieel

 

De HSM heeft bij de overname van de exploitatie van de AEE-lijn in 1903 voldoende materiaal ter beschikking en verkoopt vier C-n2t stoomlocomotieven, vier BD- en vier C-personenrijtuigen, tien G- en vijf O-goederenwagens aan de AEE. Dat is alleen op papier, want het materiaal houdt de HSM-nummering en loopt ook op andere lijnen, zoals de GOLS. Vanaf 1908 worden nog slechts locs en personenwagens als eigendom van de AEE gebruikt.  Vanaf 1916 zijn dat nog vier stoomlocs, vanaf 1918 nog drie en vanaf 1927 nog maar twee stuks.

 

De vier locs 296-299 zijn in 1881 door de firma Borsig aan de Haarlems-Zandvoort Spoorweg Maatschappij (HZSM) geleverd. Ze lijken erg op de Pruisische T3. Alleen de aandrijfas is verschillend geplaatst. Bij de T3 is het de derde as, bij deze de tweede. In 1889 neemt de HSM de exploitatie van de HZSM over en ook hun materieel. De locs worden in 1903 in Enschede-Zuid gestationeerd. In 1905 worden ze omgenummerd naar 1001-1004. De in 1918 door een ongeluk in Enschede zwaar beschadigde 1004 moet worden gesloopt. In dat zelfde jaar verhuizen de overige drie naar Den Haag voor rangeerwerk en een jaar later naar Hoorn. In 1921 volgt de omnummering in NS 7601-7603. De AEE schaft de 7602 in 1926 af en de beide andere worden een jaar later gesloopt.

 

Uit een productie van 44 stuks van het type 7700, tussen 1905 en 1914 door Werkspoor, Henschel en Schwarzkopff voor de HSM gebouwd, gaan er in 1926 drie naar de AEE. Maar niet alleen de 7701, 7702 ne 7704 zijn voor de AAE onderweg, ook andere locs uit deze serie rijden tussen Enschede en Ahaus. Bij de overname van Nederlandse deel van de AEE-lijn gaan de locs weer terug naar de HSM. Vanaf 1928 verdwijnen ze in de rangeerdienst en weorden wegens gebrek aan opdrachten in 1940 stil gezet.

De glanzende koperen dom van de stoomlocomotieven geldt onder de boeren als een goed weerstation. Is de dom mat, dan weten ze: “ dr keump règn!”

 

Voor het personenvervoer nam de AEE de personenwagens van de HSM over. Het zijn de BD 96, 97, 99 en 102 en de C 236, 237, 239 en 242. De bagagewagen wordt door de HSM ingezet. In het postvervoer op de AEE voorziet men de D 1507 en 1509 van een postafdeling. De gebruikelijk treinsamenstelling is PD+BD+C+C. De wagens van de serie BD 94-103 zijn in 1892 door de firma Eisenbahnbedarf Düsseldorf gebouwd; twee-assers met 5 meter as afstand, 12 ton gewicht, middenpad, 28 zitplaatsen 2e-klas  en open bordessen. De wagens van de serie C 236-243 zijn tussen 1881 en 1883 door de firma Machinenbau Nürnberg gebouwd; twee-assers met 4 meter as afstand, 8,8 ton gewicht, middenpad, 40 zitplaatsen 3e-klas  en open bordessen.

 

De HSM heeft vanaf het begin van de exploitatie dagelijks steeds vijf treinen in beide richting tussen Enschede en Ahaus laten rijden. Door de fusie van de HSM met de NS, neemt de NS in 1921 de exploitatie over. Vanaf 1 april 1928 komt de Deutsche Reichsbahn (DR) in het bezit van het baanvak Ahaus-Nederlandse grens. Het materieel van de NS blijft echter op de hele lijn rijden en omdat de DR tussen Alstätte en Ahaus ook 4e klasse reizigers vervoert, is de NS gedwongen ook in enkele van haar lokaalrijtuigen plaatsruimte voor deze reizigers te scheppen. Daartoe bestemt men de helft van de 3e klas rijtuigen voor 4e klas reizigers.

Als de BE in 1931 de exploitatie overneemt, stationeert men drie stroomlocs in Alstätte. In de loop der jaren zijn dat de BE 2, 13, 16, 22, 24, 51, 52 en 53.

Loc 2 is een Pruisische T3 en wordt hoofdzakelijk voor personentreinen gebruikt.

 

De meest gebruikte stoomloc op de AEE-lijn is loc 51, gebouwd door de Maschinenbau AG uit Hannover in 1906. Hij komt in 1921 als loc 10 “Gildehaus” bij de BE in dienst, rijdt vanaf 1927 met nummer 41 en vanaf 1935 met nummer 51. Deze vierassige (D) G7 kan 1400 ton trekken met een snelheid van 40 km/u, althans op vlakke trajecten. Dat is ruim voldoende voor de kolentreinen naar Enschede. In 1953, na 47 jaar trouwbare dienst neemt hij afscheid.

De opvolger van de G7 kan een treingewicht van 1350 ton aan, maar had een top van 50 km/u. De eerste G8,  de 55 1705, komt als lok 42 bij de BE in dienst. Twee jaar later volgt de 55 2118 als loc 43. Beide zijn in 1935 omgenummerd naar resp. 52 en 53 en doen dienst tot 1953 en 1961.

In 1937 wisselen twee vroegere Pruisische T9.3 van eigenaar. De Reichsbahn 91 1672 en de 91 1544 komen als loc 15 en 16 bij de BE in dienst. De T9 is een directe opvolger van de geprezen T3. Hij heeft een 2-cilinder natte stoom aandrijving met een vermogen van 300 ton bij 65 km/u.

 

Na de 1eWO besluiten de Duitse locomotieffabrikanten tot een standaardisering van loctypes. Het comité  “Engere Lokomotiv Normen Ausschuss” (ELNA) is een onderafdeling van de “Algemeine Lokomotiv Normen Auschuss” (ALNA). De machines die volgens de ELNA-norm worden gebouwd zijn erg populair bij de lokale en particuliere spoorwegen. Er zijn 6 types. Tussen 1925 en 1929 schaft de BE zeven van deze stoomlocs aan. Voor het eerst zijn dat nieuwe machines en daarmee verbetert de BE haar imago behoorlijk. Vier zijn van type 2, loc 7 “Veldhausen” (vanaf 1927 loc 13), loc 8 “Wietmarchen” (vanaf 1927 loc 12), loc 9 “Wilsum” (vanaf 1927 loc 11), loc 14, bouwjaar 1929, en drie van het type 3, loc 12 “Coevorden” (vanaf 1927 loc 22), loc 13 “Landrat Böningen” (vanaf 1927 loc 23), loc 14 “Uelsen” (vanaf 1927 loc 24). Ondanks zijn forse uiterlijk is de ELNA een lichte machine. Het  type 2 met een as indeling 1C wordt vooral voor personentreinen gebruikt en het type 3 met een as indeling D vooral voor goederenvervoer op lijnen met een asdruk tot 12 ton.

De locs 12, 13, 22, 23 en 24 komen van Hanomag en de 11 en 14 van Hohenzollern. Dat het betrouwbare machines zijn blijkt wel uit de hoge leeftijd die ze bij de BE bereiken. Lok 22 bijvoorbeeld deed 44 jaar dienst.

 

De personenwagens die de BE bij de AEE inzet zijn van het twee assige type dat de HSM tot 1912 op de AEE-lijn inzet. Maar de Duitse wagonfabriek Wismar ontwikkelt samen met het Landeskleinbahnamt van de provincie Hannover een nieuwe kleine motorwagen. Deze railbus kenmerkt zich door eenvoudig bediening en onderhoud. De BE bestelt er in 1933 drie, waarvan een voor de AEE, de T1. Prijs: 24.411 Reichsmark.

De motorwagen is voorzien van twee 4-cilinder Ford benzinemotoren met een vermogen van 40 pk en een vierversnellingsbak. Afhankelijk van de rijrichting is telkens één motor in bedrijf. Door z’n bijzonder zuinige rijeigenschappen en lage exploitatiekosten kan het aantal dagelijkse retourritten van Ahaus naar Enschede, ondanks het geringere passagiersaanbod, van twee naar drie worden verhoogd. De bus krijgt vele bijnamen. In Twente beschuutntrommel!

  1913

HSM 1022, op Broekheurne

  1949

BE 51, type G7.1, op Enschede-Zuid

  1949

NS 7712, Bello, op Enschede-aansluiting (Ea)

  1954

BE 16, type T9.3, op Enschede-Zuid

  1955

BE 23, type Elna3, op Enschede-Zuid

NS 664, Hippel, op Enschede-Zuid

OMBC op Ea. (Foto J C G van de Meene)

  1963

De BE staakt op 8 oktober 1939 het personenvervoer. Enkele goederentreinen blijven nog rijden, maar halverwege de 2eWO komt dit ook tot stilstand. In de eerste oorlogsjaren reizen 's ochtends en 's avonds nog wel werklieden van Enschede naar Alstätte. Er rijdt ook een ‘Speisewagen’ van Wagon-Lits mee. De T1 rijdt in ieder geval tot juli 1942 nog tot Alstätte. Verder gaat de administratie van de inzet niet, maar de wagen zou daarna nog af en toe met een gasinstallatie gereden hebben.

 

Om de exploitatiekosten te verlagen stapt de AEE in 1958 over van stoom op dieseltractie. In dat jaar jaar koopt de AEE bij de Machinenbau Kiel (MAK) een diesellocomotief ter waarde van 360.000 mark. Daarmee zou men minstens 15.000 mark per jaar besparen. Het was een vierassig aangedreven (D) MAK V65 van 600 pk. De als D05 genummerde machine is uiteraard bedoeld voor het rangeerwerk en het goederenvervoer naar Enschede, maar als de T1 uitvalt rijdt hij soms met een personenwagen de dienstregeling tussen Ahaus en Alstätte.

Nadat in 1967 het grensoverschrijdend verkeer naar Enschede wordt stilgelegd verkoopt de AEE de D05 aan de Teutoburgerwald-Eisenbahn (TWE).

NS 2200 met hersporingsvoertuig (Stalen D)

op Enschede-Zuid

7

Etsen

  1958

BE 53, type G8, op Enschede-Zuid

  1935

AEE T1 type Wismar motorwagen, op Enschede-Zuid

Stoomloc BE51 met een lange kolentrein op weg naar Enschede-Zuid

  1973

  1949

  1940

BE Werkliedentrein bij ‘t Spoorhuuske op weg naar Alstätte

NS 346, Sik, op Enschede-Zuid

het zuiderspoor    enschede

Historie

laatste update: 10 december 2017